Pick a language and start learning!
Voorzetselsamentrekkingen Opdrachten in de Duitse taal

Voorzetselsamentrekkingen zijn een belangrijk onderdeel van de Duitse grammatica en komen vaak voor in alledaagse conversaties en geschreven teksten. Deze samentrekkingen ontstaan wanneer een voorzetsel en een bepaald lidwoord samenvoegen tot één woord. Bijvoorbeeld, in plaats van "an dem" gebruiken we vaak "am" en in plaats van "in das" gebruiken we "ins." Het correct gebruik van deze samentrekkingen kan soms lastig zijn voor Nederlandstalige leerlingen, omdat ze niet altijd intuïtief zijn en specifieke regels volgen. Door de regels en patronen achter deze samentrekkingen te begrijpen, kun je je Duitse taalvaardigheden aanzienlijk verbeteren.
In deze oefeningen richten we ons op het herkennen en correct toepassen van verschillende voorzetselsamentrekkingen in het Duits. We bieden een reeks interactieve oefeningen aan die zijn ontworpen om je te helpen deze grammaticale constructies in verschillende contexten te gebruiken. Of je nu een beginner bent die net begint met het leren van Duits of een gevorderde leerling die zijn kennis wil opfrissen, deze oefeningen zullen je helpen meer zelfvertrouwen te krijgen in het gebruik van voorzetselsamentrekkingen. Laten we beginnen met het verkennen van deze fascinerende en nuttige aspect van de Duitse taal!
Exercise 1
<p>1. Hij woont *bij* zijn oma. (Voorzetsel dat een nabijheid aangeeft).</p>
<p>2. De kat springt *op* de tafel. (Voorzetsel dat een hogere positie aangeeft).</p>
<p>3. We gaan *naar* het park. (Voorzetsel dat een richting aangeeft).</p>
<p>4. Ze studeert *aan* de universiteit. (Voorzetsel dat een locatie aangeeft).</p>
<p>5. De hond ligt *onder* de stoel. (Voorzetsel dat een lagere positie aangeeft).</p>
<p>6. Hij wandelt *door* het bos. (Voorzetsel dat een beweging door een gebied aangeeft).</p>
<p>7. We rijden *met* de bus. (Voorzetsel dat een transportmiddel aangeeft).</p>
<p>8. Ze praten *over* het weer. (Voorzetsel dat een onderwerp aangeeft).</p>
<p>9. De sleutel ligt *in* de lade. (Voorzetsel dat een binnenruimte aangeeft).</p>
<p>10. Ze fietst *langs* de rivier. (Voorzetsel dat een nabijheid in lengte aangeeft).</p>
Exercise 2
<p>1. Ik ga *naar* de supermarkt (voorzetsel dat beweging aangeeft).</p>
<p>2. Hij woont *bij* zijn ouders (voorzetsel dat verblijf aangeeft).</p>
<p>3. We hebben een afspraak *om* drie uur (voorzetsel dat tijd aangeeft).</p>
<p>4. Ze loopt *door* het park (voorzetsel dat beweging door een ruimte aangeeft).</p>
<p>5. Het boek ligt *op* de tafel (voorzetsel dat locatie aangeeft).</p>
<p>6. Ze praten *over* hun vakantie (voorzetsel dat onderwerp van gesprek aangeeft).</p>
<p>7. Hij fietst *naar* school (voorzetsel dat richting aangeeft).</p>
<p>8. De kat springt *van* de kast (voorzetsel dat afkomst aangeeft).</p>
<p>9. Ze wachten *bij* de bushalte (voorzetsel dat locatie aangeeft).</p>
<p>10. De hond rent *achter* de bal aan (voorzetsel dat richting aangeeft).</p>
Exercise 3
<p>1. Hij gaat met de trein *naar* Amsterdam (voorzetsel voor bestemming).</p>
<p>2. Ze is gisteren *van* school naar huis gefietst (voorzetsel voor oorsprong).</p>
<p>3. Ik ben al de hele dag *op* kantoor aan het werk (voorzetsel voor locatie).</p>
<p>4. We ontmoeten elkaar *bij* de ingang van het museum (voorzetsel voor plaats).</p>
<p>5. Hij komt *uit* Duitsland en spreekt vloeiend Duits (voorzetsel voor herkomst).</p>
<p>6. Ze woont *in* een klein dorpje aan de kust (voorzetsel voor locatie).</p>
<p>7. De hond sprong *over* de muur en rende weg (voorzetsel voor beweging).</p>
<p>8. We gaan morgen *naar* het strand als het mooi weer is (voorzetsel voor bestemming).</p>
<p>9. Ik heb het boek *van* mijn broer geleend (voorzetsel voor eigendom).</p>
<p>10. Hij heeft het cadeau *voor* zijn verjaardag gekregen (voorzetsel voor doel).</p>