Pick a language and start learning!
Voorzetsels met werkwoorden Opdrachten in de Duitse taal
Voorzetsels met werkwoorden zijn een belangrijk onderdeel van de Duitse taal en kunnen soms verwarrend zijn voor Nederlandstalige studenten. In het Duits veranderen werkwoorden vaak van betekenis afhankelijk van het voorzetsel dat erbij gebruikt wordt. Bijvoorbeeld, het werkwoord "denken" kan in combinatie met verschillende voorzetsels verschillende betekenissen aannemen, zoals "denken an" (denken aan) en "denken über" (nadenken over). Het is daarom essentieel om een goed begrip te hebben van deze combinaties om vloeiend en correct Duits te spreken en schrijven.
In deze sectie bieden we een reeks oefeningen aan die je zullen helpen om vertrouwd te raken met de meest voorkomende voorzetsels en de bijbehorende werkwoorden in het Duits. Door middel van gerichte oefeningen en praktijkvoorbeelden kun je je kennis verdiepen en je grammaticale vaardigheden verbeteren. Of je nu een beginner bent of al een gevorderd niveau hebt bereikt, deze oefeningen zijn ontworpen om je te helpen bij het beheersen van deze cruciale grammaticale structuren. Aan de slag en veel succes!
Exercise 1
<p>1. Hij wacht *op* zijn vrienden (prepositie die je gebruikt bij wachten).</p>
<p>2. Zij denkt *aan* haar vakantie in Spanje (prepositie die je gebruikt bij denken).</p>
<p>3. We beginnen *met* het nieuwe project morgen (prepositie die je gebruikt bij beginnen).</p>
<p>4. Ik geloof *in* je talent (prepositie die je gebruikt bij geloven).</p>
<p>5. Hij bedankt haar *voor* haar hulp (prepositie die je gebruikt bij bedanken).</p>
<p>6. We praten *over* het weer (prepositie die je gebruikt bij praten).</p>
<p>7. Ze kijkt *naar* de film op televisie (prepositie die je gebruikt bij kijken).</p>
<p>8. Ik interesseer me *voor* kunst en cultuur (prepositie die je gebruikt bij interesseren).</p>
<p>9. Ze vraagt *om* een glas water (prepositie die je gebruikt bij vragen).</p>
<p>10. Hij denkt *over* het probleem na (prepositie die je gebruikt bij nadenken).</p>
Exercise 2
<p>1. Hij wacht *op* de bus. (voorzetsel voor wachten).</p>
<p>2. Zij denkt *aan* haar vakantie. (voorzetsel voor denken).</p>
<p>3. Hij gelooft *in* zijn dromen. (voorzetsel voor geloven).</p>
<p>4. Zij bedankt haar moeder *voor* het cadeau. (voorzetsel voor bedanken).</p>
<p>5. Ik zoek *naar* mijn sleutels. (voorzetsel voor zoeken).</p>
<p>6. Hij verheugt zich *op* de zomer. (voorzetsel voor verheugen).</p>
<p>7. Zij praat *over* haar werk. (voorzetsel voor praten).</p>
<p>8. Hij heeft zin *in* een ijsje. (voorzetsel voor zin hebben).</p>
<p>9. Zij zorgt *voor* haar hond. (voorzetsel voor zorgen).</p>
<p>10. Hij vraagt *om* hulp. (voorzetsel voor vragen).</p>
Exercise 3
<p>1. Hij wacht al een uur *op* zijn vriendin. (verwacht)</p>
<p>2. Zij gelooft niet *in* sprookjes. (vertrouwen)</p>
<p>3. Hij denkt vaak *aan* zijn jeugd. (overpeinzen)</p>
<p>4. Wij rekenen *op* jouw hulp. (afhankelijk zijn van)</p>
<p>5. Ze bedankt haar moeder *voor* de cadeaus. (dankbaarheid tonen)</p>
<p>6. Hij slaagt *in* alles wat hij doet. (succesvol zijn)</p>
<p>7. De kinderen lachen altijd *om* zijn grappen. (humor waarderen)</p>
<p>8. Zij verheugt zich *op* de vakantie. (uitkijken naar)</p>
<p>9. Hij heeft zin *in* een pizza. (verlangen)</p>
<p>10. Ze twijfelt *aan* haar beslissing. (onzekerheid voelen)</p>