Pick a language and start learning!
Betekenis van bijvoeglijke naamwoorden veranderen door plaats (grande, pobre) Opdrachten in de Portugese taal
Bijvoeglijke naamwoorden in het Portugees hebben de opmerkelijke eigenschap dat hun betekenis kan veranderen afhankelijk van hun positie ten opzichte van het zelfstandig naamwoord dat ze beschrijven. Deze subtiele maar belangrijke verandering biedt een boeiende laag van complexiteit aan de taal. Neem bijvoorbeeld het woord "grande". Wanneer "grande" voor het zelfstandig naamwoord staat, zoals in "um grande homem", betekent het "een belangrijk man". Maar wanneer het erna komt, zoals in "um homem grande", betekent het simpelweg "een grote man" in fysieke zin.
Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij andere bijvoeglijke naamwoorden zoals "pobre". "Um pobre homem" verwijst naar "een beklagenswaardige man", terwijl "um homem pobre" gewoon "een arme man" betekent in termen van financiële status. Deze nuances zijn cruciaal voor het begrijpen en vloeiend spreken van het Portugees. In deze oefeningen richten we ons op deze verschillen om je te helpen deze subtiele maar essentiële aspecten van de taal te beheersen.
Exercise 1
<p>1. Ele é um *grande* homem (niet fysiek, maar figuurlijk groot).</p>
<p>2. Ela mora em uma casa *grande* (fysiek groot).</p>
<p>3. Ele é um homem *pobre* (financieel arm).</p>
<p>4. Ele é um *pobre* homem (zielig of medelijden verdienend).</p>
<p>5. Ela comprou um carro *novo* (recent gekocht).</p>
<p>6. Ela tem um *novo* emprego (recent gekregen).</p>
<p>7. Eles moram em uma casa *velha* (niet nieuw, maar oud).</p>
<p>8. Ela é uma *velha* amiga (lange tijd bekende vriendin).</p>
<p>9. Ele tem um *antigo* professor (voormalige leraar).</p>
<p>10. Eles visitaram um prédio *antigo* (oud gebouw).</p>
Exercise 2
<p>1. Ele é um *grande* escritor (hij is beroemd).</p>
<p>2. Ela vive em um bairro *pobre* (niet rijk).</p>
<p>3. Encontramos uma *grande* oportunidade (belangrijk).</p>
<p>4. Ele é um homem *pobre* (niet rijk).</p>
<p>5. A sala é *grande* o suficiente para todos (ruim).</p>
<p>6. Ela é uma *pobre* menina, sempre com problemas (zielig).</p>
<p>7. Eles moram em uma casa *grande* no campo (ruim).</p>
<p>8. Aquele é um *grande* problema para resolver (belangrijk).</p>
<p>9. Ela tem uma *pobre* saúde, sempre doente (zwak).</p>
<p>10. Ele é um *grande* amigo, sempre ajudando (belangrijk).</p>
Exercise 3
<p>1. Ele é um *grande* homem. (bijvoeglijk naamwoord voor belangrijk)</p>
<p>2. Após a crise, ele ficou *pobre*. (bijvoeglijk naamwoord voor geen geld hebben)</p>
<p>3. Ela comprou um *pobre* vestido. (bijvoeglijk naamwoord voor slecht kwaliteit)</p>
<p>4. Ele mora em uma casa *grande*. (bijvoeglijk naamwoord voor afmeting)</p>
<p>5. O projeto teve um *grande* impacto na comunidade. (bijvoeglijk naamwoord voor belangrijk)</p>
<p>6. Apesar de ser um *pobre* homem, ele é muito feliz. (bijvoeglijk naamwoord voor geen geld hebben)</p>
<p>7. A festa foi um evento *grande*. (bijvoeglijk naamwoord voor afmeting)</p>
<p>8. Aquele *pobre* cachorro estava perdido na rua. (bijvoeglijk naamwoord voor zielig)</p>
<p>9. Eles têm um *grande* sonho de viajar o mundo. (bijvoeglijk naamwoord voor belangrijk)</p>
<p>10. A vila sofreu muitos danos durante a *grande* tempestade. (bijvoeglijk naamwoord voor afmeting)</p>